,

Overdenking: Niet te zuinig

 

Als er één niet zuinig is, dan God. Dat zie je gelijk, op de eerste bladzij van de bijbel, waar van de schepping wordt verhaald. Nee, dat is geen biologie of natuurkunde, dat is een loflied, op Hem die de oorsprong is van alle dingen. Je ziet het voor je ogen gebeuren als je het scheppingsverhaal leest, hoe God het een na het ander in het aanzijn riep, alles even prachtig.

Genesis 1 vers 26 – 28 en 31

Na vijf dagen heeft Hij het voor elkaar, een aarde die klinkt als een klok, die jubelt en juicht als een paradijs. “Laten wij mensen maken”, zegt God op de zesde dag, “mensen naar ons beeld en onze gelijkenis”. Ook dan gaat het er niet zuinig aan toe. Een mens schept God in wie Hij zichzelf weerspiegeld ziet. In wie Zijn creativiteit en intelligentie, Zijn liefde en hart oplichten. Geen mens die Hij eronder houdt, maar die in elk opzicht Zijn trekken vertoont. Een volwaardig ‘tegenover’ om mee op te trekken. Aan wie Hij het werk van Zijn handen toevertrouwt, het beheer over al het geschapene. Om dóór te gaan op wat Hij begon en zich zodoende voluit te ontplooien. Laat niemand beweren dat de Eeuwige ons klein hield. Al vindt die leugen, die al gauw opgeld deed tegen alle bewijzen in, nog altijd gretig gehoor.

“En God schiep de mens, mannelijk en vrouwelijk”. Mooi is dat. De mens was van meet af aan niet alleen en op zichzelf aangewezen, maar tweevoudig, mannelijk en vrouwelijk, man en vrouw. Een Joodse rabbijn verwoordde het zo: “Alleen is maar alleen, daarom zullen ze samen zijn, die twee, zo sprak de Eeuwige”. Daarmee is het geheim van ons mens-zijn getypeerd. Gemaakt werden we voor elkaar, om lief te hebben, over en weer verbonden te zijn. Als elkaars wederhelft, geestelijk en lichamelijk, emotioneel en rationeel zo op elkaar aangelegd en afgestemd, dat je elkaar naadloos aanvoelt en aanvult.

Uitgerekend dit over en weer, dit liefhebben en geliefd worden en daar samen van genieten, maakte het paradijs tot hemel op aarde. Voeg daar het open en onbevangen over en weer aan toe met Hem die ons schiep en je beseft: beter konden wij het niet krijgen. In één woord: top. Zo zei ook God toen Hij het zag: zeer goed. Tov in het Hebreeuws. Gaaf op zijn Hollands gezegd. Dat was het en dat blijft het. Want nog altijd is dit het beste wat je als mens kan overkomen wanneer je iets van deze liefde gewaar wordt, van God en van de ander. Jij je gezien weet door de hemel en bemind wordt door elkaar. Ik heb nog nooit iemand ontmoet, die daar niet vrolijk van werd. Integendeel. Zo één voelt zich bevoorrecht, een gezegend mens, zonder uitzondering.

Intussen is dit al lang niet meer de gewoonste zaak van de wereld. Zo alledaags als het ooit was, zo uitzonderlijk is het geworden. Waar God het meest verrukt over was, ging als eerste teloor. Zonde. Met alle ellende en narigheid van dien. Want wat kunnen we ons bij vlagen alleen en eenzaam voelen. Verloren en verlaten. Ontheemd en verweesd. Zelfs al heb je alle geluk van de wereld en rijen mensen om je heen. Het enige wat ons dan nog rest is ervan dromen. Zonder te weten hoe we ooit weer in die liefde thuis kunnen komen. Goddank bleef God ervoor gaan. Bladzij na bladzij verhaalt de Bijbel daarvan.

Het lukt me niet

‘Ik wil geloven, maar het lukt me niet’, zei ze eerlijk met haar twintig jaar. Tot haar zestiende was ze met haar ouders meegegaan naar de kerk. Daarna had ze het in andere kerken geprobeerd. Nu was ze aangeschoven bij Het hart op tafel, een nieuw format voor kerkelijken en onkerkelijken. Om mensen de ruimte te bieden iets op tafel te leggen, wat al langer hoog of dwars zit. Of om iemand mee naar toe te nemen, met wie je in gesprek raakte over God en geloof maar op een bepaald punt vastliep. 

Die eerste keer zaten we met zeven mensen van uiteenlopende leeftijd en verschillende komaf aan tafel. Vlak onder de kansel met daarop de opengeslagen Bijbel. Een treffende symboliek, zo schoot even door me heen: wat er ook ter tafel komt, er is een Woord van hogerhand, dat al ons gevraag aankan. Sterker nog, zwart op wit worden we erdoor uitgenodigd van ons hart geen moordkuil te maken, maar ronduit te zeggen wat daarin omgaat. Aan verwarring en verlegenheid, aan twijfel en ongeloof. In de spanning van zo’n eerste keer gaf het ontspanning en ik dacht: laat maar komen…

Het kwam al gauw. De hamvraag van bovengenoemde twintiger: hoe kun je weten of God er is? Ze bidt en leest nog steeds in de hoop iets van God te vernemen – een prestatie op zich! – maar tot op heden zonder resultaat. Van meerdere kanten vond haar vraag bijval. Van een jurist die onkerkelijk is opgevoed, maar zich al meer verbaast over ongedachte wendingen in zijn leven en zich afvraagt of daar Iets/Iemand achter zit. Van een vijftiger van zwaar gereformeerde komaf, die na alles jarenlang vaarwel gezegd te hebben anderhalf jaar geleden een Godservaring opdeed waardoor ze opnieuw aanhaakte, maar die nu toch weer twijfelt of niet alles inbeelding is.

Met dat de vraag op tafel lag voelde ieder: hier staat of valt alles mee. Gaat het echt ergens over of blijft geloven iets van gissen, dromen of vluchten? In het laatste geval voelde het als een zinloze exercitie om nog langer energie te steken in de zoektocht naar God. Wat te zeggen? Eén van de andere deelnemers kwam met het vaak gehoorde antwoord: ‘Zeker weten doe je het nooit. Daar heet het ook geloof voor.’ Altijd als ik dat hoor, bezorgt het mij spontaan kromme tenen, omdat serieuze zoekers daarmee van de wal in de sloot belanden. Ik zag het ook bij die drie gebeuren: geen aha-Erlebnis, maar eerder een blik van ‘daar gaan we weer’. Daarom, nee en nog eens nee, zo is het niet! Ook al is het voor rijen kerkgangers de reden – gelukkig maar? – om niet bij de eerste de beste twijfel af te haken maar eenvoudig dóór te geloven zonder te zien.

Echte twijfelaars en zoekers, binnen en buiten de kerk, zijn er echter niet mee geholpen. Zij willen méér zekerheid en terecht. De bijbel heeft daar trouwens ook weet van. Al vanaf Abraham, de vader van alle gelovigen, blijkt het geloof een kwestie van ‘zeker weten en vast vertrouwen’ (zoals de Heidelberger catechismus dat eeuwen later zo weergaloos mooi samenvatte) te zijn. Overtuigd door (de sprekende) God raken mensen overtuigd van (de levende) God. Ik merkte iets van verrassing toen ik daar vanuit de bijbel en vanuit mijn eigen ervaring iets over verhaalde. Je zag iets op de gezichten van ‘het kan dus echt’. Tegelijk liet de volgende vraag zich raden: waarom overkomt de één het wel en de ander niet?

Die twintigjarige verwoordde het pijnlijk eerlijk: ‘Ik sta al heel lang open voor God, maar ik merk niets van Hem.’ Net als zij word ik daar niet vrolijk van, opstandig zelfs. ‘Als ik God was zou ik het wel weten’, reageerde ik recht uit mijn hart, ‘maar ik ben geen God en weet het dus niet…’ Wat onbeholpen voegde ik eraan toe: ‘De enige optie is blindelings doorgaan en geduld hebben met God, zo lang het je lukt…’

Onvoldaan en met een hart vol vragen ging ik naar huis. Diezelfde avond nog kreeg ik een mail: Heel erg bedankt voor de mooie avond, het geeft me weer wat lucht. Fijn om er met een “gediplomeerd gelovige” over te praten.

Misschien was er toch iets gelukt.

Paul Visser

Kerst ont-stresst

Sta eens even stil bij kerst. Dat is de slogan waarmee de Protestantse Kerk van Amsterdam dit jaar de kersttijd inluidt. Op het eerste gehoor lijkt dat een wat overbodige aansporing. Want van alle kanten worden we gebombardeerd om er met kerst een feestje van te maken. Onmogelijk dus om er niet bij stil te staan. Intussen kan al dat reclamegeweld om er iets ‘leuks en lekkers’ van te maken en er ‘op en top’ uit te zien, zomaar leiden tot de zoveelste stressfactor in ons vaak al o zo jachtige bestaan. Het is niet denkbeeldig dat je straks uitgeput de kerstdagen inrolt. Moet je ook nog je beste humeur meebrengen en je vrolijkste gezicht opzetten. Zucht! Om maar te zwijgen van het feit dat je vader en/of moeder (als je die nog hebt) met kerst eveneens de nodige aandacht verwachten. Zie het allemaal maar rond te breien. Voor menigeen een organisatie van jewelste. Het is meer hollen dan stilstaan. Stil staan bij kerst is dan wel zo’n beetje het laatste waar je aan toekomt en meestal dus niet. Zo gezien is de slogan van de kerk niet uit de lucht gegrepen, maar regelrecht uit het leven.

Intussen kan zo’n slagzin al gauw wat ‘moeterig’ en drammerig worden. Dát óók nog, denk je dan. Nou, wees gerust. In de talloze kerstnachtdiensten, die in onze stad massaal worden bezocht, zullen voorgangers zich op allerlei wijze inspannen om je een handje te helpen. Zich uitputten om je in het licht van het geboren Kerstkind een inspirerende kerstgedachte aan te reiken, om bij stil te staan en in je zak te steken. Als één van hen schaar ik mij dan ook vrijmoedig bij alle andere reclamemakers en zeg met de woorden van een bekend kerstlied: Kom, verwonder u hier mensen, zie hoe dat uw God u mint… Tegelijk maak ik van de gelegenheid gebruik om kort en krachtig te verhalen dat het dáár oorspronkelijk met kerst over ging: dat je vanuit de Hoge wordt bemind!

Dat klinkt nogal vroom. Heb je de dominee weer! Maar kijk om je heen: in deze tijd van tegenstellingen lijdt het ‘je gezien, gekend en geliefd weten’ een kwijnend bestaan. Via sociale media zetten mensen elkaar gemakkelijker weg als tegenstander die niet deugt dan als medeburger die respect verdient. Identiteit betekent vaak vooral: ik ben anders dan jij. Intussen zijn mensen verslingerd aan Facebook en Instagram vanwege de bevestiging die ze daar krijgen. We kunnen blijkbaar niet zonder. Op een filmpje van de Protestantse Kerk kijken Amsterdammers op de Dam verbaasd en vrolijk naar hun mobieltje als hen daar plotsklaps via engelenstem liefde wordt toegezongen. Kijk maar eens op www.kerst020.nl

De bekende rooms-katholieke priester Henri Nouwen, die na lang aarzelen werd overgehaald het evangelie te ontvouwen voor seculiere tijdgenoten, kon niks anders en beters bedenken dan dit ene zinnetje: je bent geliefd. Het is méér dan een aardige gedachte om vluchtig op de koop toe te nemen als kers op de taart of om zonder omhaal van de hand te wijzen omdat je daar niets voor koopt. Het is niet minder dan de eerste en basis van de vier identity-markers die ons leven bepalen: wie je bent, wat je doet, wat je hebt en wat anderen over je zeggen. Je bent geliefd: daar ben je voor gemaakt, dat maakt je tot méér mens. Zonder dat loop je grote kans overruled te worden door die andere drie. Geliefd zijn, wie kan dat niet gebruiken? Alle reden dus om deze gegeven realiteit bij tijd en wijle wat dieper tot je door te laten dringen. Het mooie is dat er op zulke momenten niks moet. Want geliefd worden is pure passiviteit, die enkel goed doet. Ont-stresst ook. Zo is het al tussen mensen. Laat staan als het om liefde van de Eeuwige gaat.

Best eng om je aan dit ongezochte ‘geliefd zijn’ over te geven. Eén ding is zeker: hoe meer je het toelaat, des te minder hoef je constant het verschil te maken. Je bent al iemand. Dat scheelt veel stress. Kortom, de slogan van de kerk is zo gek nog niet.

Paul Visser

Verdienen aan Jezus

De kranten stonden er vandaag (9-12) vol van: het schilderij van een geschilderd portret van Jezus van Leonardo Da Vinci, dat naam Salvator Mundi (Verlosser van de wereld) draagt, is afgelopen week  bij Christie’s in New York verkocht voor maar liefst ruim 450 miljoen dollar! Het is het hoogste bedrag dat ooit bij een veiling voor een schilderij is betaald.

Eerlijk gezegd vond ik het in eerste instantie wel iets van humor, dat Jezus op deze ongedachte wijze in adventstijd even wereldwijd in beeld komt – nota bene onder die veelzeggende bijbelse titel. Onverwachte PR vanuit de hemel voor het kerstkind? Ach je weet maar nooit wat het bij die en gene losmaakt. De Geest, ooit uitgestort om onder ons aandacht te vragen voor de verheerlijkte Jezus, is er creatief genoeg voor. Als Hij zelfs werkt via onze krakkemikkige preken, waarom zou Hij dan op zijn tijd zo’n prachtig kunstwerk niet kunnen gebruiken? Gelet op de devotie waarmee het geschilderd is, is er veel voor te zeggen dat het niet ‘voor niets’ gemaakt is. Dus hopen maar dat het ‘iets’ doet…

Toen ik het bericht wat langer tot me liet doordringen, kwamen er nog een paar andere gedachten bij me op, die ik gewoon maar even deel. Blijkbaar kun je, net als destijds toen Hij als een ‘vervalsing’ verpatst werd voor 30 zilverlingen, je verrijken aan ‘Jezus’, zonder dat je verder (nog) iets met Hem hebt – al zal de exorbitante prijs natuurlijk vooral te danken zijn aan het feit dat het een ‘echte Da Vinci’ is, maar toch. Tegelijk is duidelijk dat de handel rond ‘Jezus’ er door de tijd heen alleen maar lucratiever op geworden is. Wat mijmerend schoot het met een schok door me heen: wat is er intussen al niet aan Jezus verdiend? Op duizend en één manier. Als je niet oppast doe je er zelfs zomaar aan mee, juist in christelijk kring, dominees incluis.

Apart genoeg bleek na wat journalistiek speurwerk dat het schilderij was aangekocht door het ministerie van Cultuur en Toerisme van de Verenigde Arabische Emiraten. Gelet op de aversie in deze regio tegen al wat christelijk is, wel zo’n beetje de laatste partij van wie je dit verwachten zou. Toch is het minder verwonderlijk dan het lijkt: het schilderij kan als nieuwe toeristische attractie (vooral voor rijke christelijke westerlingen!) binnen een jaar of wat meer geld in het laatje brengen dan het heeft gekost! Er wordt wat afgesold met ‘Jezus’…

In dit geval had Judas van Jezus ongetwijfeld gelijk gekregen, toen hij eens bij een in zijn ogen onmatige financiële verkwisting opmerkte: ‘Dit geld had beter aan de armen gegeven kunnen worden.’ Wie begint? Zo’n ‘portret’ van Jezus is méér waard dan wat ook maar…

Paul Visser