De bijbel is geen boek vol mooie verhalen en prachtige dromen. Integendeel. Het vertelt vooral rauwe, ruige, dwarse verhalen. Voor sommigen een reden om de bijbel af te danken. “Sorry”, zeggen ze, “maar zoals het er daar vaak aan toegaat, nee, dat maak ik niet mee”. Voor mij maakt die realistische insteek de bijbel juist uiterst betrouwbaar. De werkelijkheid wordt daar blijkbaar niet verdoezeld, maar neergezet zoals die is.

Genesis 4 vers 1-7

Neem het verhaal uit Genesis 4, over Kaïn en Abel, twee broers. Het meest ontstellende gebeurt daar: de ene broer slaat de andere dood. Aangrijpend. Dat het kwaad zo kan invreten, zo snel, zo makkelijk, zo vanzelf. De bijbel windt er geen doekjes om. Is dat niet op en top realistisch?

Stoere en zwakke mensen

Kaïn, zo hadden Adam en Eva hun eersteling genoemd. Een prachtige naam. Letterlijk betekent het ‘gekregen’, ‘geschenk’. Ja, dat was het. Nieuw leven, van God ontvangen. Reken maar dat ze zich er eindeloos over verbaasd hebben. Daarna kwam er een tweede, weer een jongen. Maar wat een verschil. Hij zag er schriel uit. Zal hij het wel halen? Ze noemden hem Abel. Dat betekent zoiets als ‘ademtocht’, of ‘de vergankelijke’. Het tekent hun onzekerheid. Ze voelen: dit leven kan zomaar afbreken. Opnieuw zo realistisch als wat.

In de bijbel ontmoet je niet alleen stoere en sterke mensen maar net zo goed zwakke en kwetsbare mensen. En zoals zo vaak, zo ging het ook toen. De zwakke legt het uiteindelijk af tegen de sterke. Hoe je ook gelooft, daar helpt niks aan. Je delft zomaar het onderspit.

Kijk maar. Volwassen geworden offeren Kaïn en Abel beide aan hun Schepper. Abel doet dat van de kudde die hij heeft. Kaïn doet dat van de opbrengst van het land. Maar dan – ja, hoe ze dat precies gewaar geworden zijn is niet bekend – maar er staat dat God het offer van Abel aanzag, maar het offer van Kaïn niet. Dat lijkt natuurlijk gemeen. Alsof God iemand is die ongelijk behandelt, discrimineert, met de één wel van doen wil hebben en met de ander niet. Zo wordt nog steeds al te vaak gedacht. Maar klopt dat? Trekt God Abel voor en zet Hij Kaïn weg? Telt de één voor Hem méér dan de ander?

God houdt niet van geweld

Als Kaïn het merkt, wordt hij woedend. Op Abel. Is die soms beter dan hij? En op God. Waarom moet die mij niet? Realistisch, vind je niet? Want als jij het gevoel hebt dat de ander méér heeft met God dan jij, dan wekt dat lang niet altijd nieuwsgierigheid of verlangen, maar vaak ook irritatie en boosheid. Verder, als het tussen God en jou toch al niet zo lekker loopt en het lijkt dat Hij jou niet moet, dan kan het zomaar gebeuren dat je met Hem ook klaar bent. Opvallend genoeg ziet God het en vraagt: “Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker?” Een duidelijk signaal dat God wel degelijk oog voor Kaïn heeft en alle moeite doet om hem te bereiken. “Ik zie iets in je blik Kaïn dat Mij zorg baart. De zonde ligt op de loer, begerig om jou te overmeesteren. Toe, let op, anders gaat het zomaar van kwaad tot erger.”

Opnieuw zo realistisch als wat. Als je kwaad dat in je opkomt niet bestrijdt, gaat het binnen de kortste keren overwoekeren. Net als onkruid. Je raakt er al meer in verstrikt en het krijgt je zo in z’n greep dat je er niet meer aan ontkomt. God ziet het gebeuren bij Kaïn. Het gaat Hem aan zijn hart. Hij zet alles op alles om hem een halt toe te roepen. Nee, Hij houdt hem niet met geweld tegen. Daar is God niet van.

We mogen voor God spelen

We willen vrij zijn, we mogen vrij zijn. Wij willen voor God spelen. We mogen voor God spelen. Zelfs al beramen we het grootste kwaad. Hij overruled ons niet. Daar is de liefde niet van. Al pratend, biddend en smekend zoekt die wel tot andere gedachten te brengen: “Toe laat het kwaad het goede in jou niet langzaam smoren en vermoorden. Als je dat doet, is er geen houden meer aan, ben je tot alles in staat.” God doet er alles aan om Kaïn te verlokken tot het goede, zonder iets af te dwingen. Hij gaat niet over onze grenzen, precies zoals wij dat wensen. Alle lof voor Hem! Je vraagt je intussen wel af hoe dat afloopt…

 

 

“Adam, mens, waar ben je?” Die roep is méér dan enkel een roep van gemis en verlangen. Ik hoorde tijdens een seminar in Jeruzalem dat het ook de rouwklacht is van een vader bij het graf van zijn kind. “Kind, waar ben je?” zo snikt die vader dan, terwijl het lichaam in de aarde wordt gelegd. Niet anders deed God. Want het eten van die beruchte vrucht had desastreuze gevolgen.

Genesis 3 vers 9 en 15

Nee zij waren niet gelijk dood neergevallen. De boze had gelijk gehad, toen hij zei: je gaat er heus niet dood aan hoor. Maar er was wel iets anders dood gegaan. Hun hart. Voor God en voor elkaar. Precies zoals God gezegd had: Stervend zul je sterven. Er een doods bestaan aan overhouden dat ten dode gedoemd is.

Vandaar dat God alleen maar rouwen kan. Rouwen om ons hart, waar de liefde teloor ging, het leven uit is. Wie eerlijk is, herkent het: leven genoeg, maar dood voor God. Voor Hem geen oog, geen oor, geen hart meer. En naar elkaar verval je zomaar van een liefdevol ‘over en weer in een harteloze ‘ikkerigheid’.

“Adam, waar ben je?” Het is een hartverscheurende klacht. God snikt het uit, zogezegd. Het gaat door merg en been. Tegelijk hoor ik er louter liefde in. Liefde die vooral ook blijkt uit het vervolg. Want als ze voor de dag komen, die twee, en de brutaliteit het wint van de angst, kunnen zij niet anders meer dan Hem in een kwaad daglicht zetten. “U hebt het te danken aan Uzelf!”, zeggen ze. Nou had God op dat moment kunnen uitvallen en uitvaren: “Wat denken jullie wel?!” De schuld gelijk kunnen terugschuiven. Maar dat deed Hij niet. Het werd niet hard tegen hard. Blijkbaar wist Hij dat zo’n reactie, hoe terecht ook, niks oplost.

Daarom, hoe vals ook beschuldigd, deed Hij er het zwijgen toe, liet het zich aanrekenen. Als dat geen liefde is… Eeuwen later zou Jezus niet anders doen. Zwijgen toen Hij vals beschuldigd werd. Zich laten veroordelen als oorzaak van alle ellende. Zich laten afvoeren als zondebok en zo het kwaad voor Zijn rekening nemen. Die toon werd hier, al gelijk na onze val, gezet.

Dat zie je ook in het vervolg. Want toen God begon te spreken, zei Hij: “Ik zal… ”. Ik zal er voor zorgen dat wat er nu gebeurd is niet het laatste woord heeft. Al zijn jullie nu twee handen op één buik met de boze, Ik haal jullie uit elkaar. De boze zal het laatste woord niet hebben. Ik ontruk je aan Zijn greep en rust niet tot Ik jullie hart opnieuw gewonnen heb. Hij nam daarmee genadig de verantwoordelijkheid voor onze val. Het was trouwens Zijn enige optie, wilde het ooit nog wat worden. Geen dode immers die zichzelf het leven inblaast.

Hoe God dat heeft gered? Het staat hier in beeldende taal: in een gevecht met de slang op leven en dood, zal de slang op het moment dat het gewonnen lijkt, voorgoed het onderspit delven. Het is méér dan mythische taal. Het werd waar op Golgotha. Gehangen aan een kruis, verlaten van God, overgegeven aan de hel, sloeg Jezus Zijn genadige slag. Die dag kreeg God in Hem het kwaad eronder en had de boze het voor het nakijken. Precies zoals gezegd.

De zegen is weergaloos. Paulus schreef aan mensen in Efeze, die van huis uit van God geen benul hadden: “Maar God, rijk in erbarmen door Zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, heeft ons, toen wij dood waren – overal voor ‘in’ behalve voor Hem – levend

gemaakt met Christus.” Een lange zin. Maar zo gebeurde, op Pasen, en altijd weer, als Hij je opzoekt, te voorschijn roept, en er genadig het zwijgen toe doet. Om Jezus’ wil.

 

 

 

De bijbel vertelt het eerlijke verhaal: in plaats van te leven in Gods liefde en die van elkaar, gaven mensen er de voorkeur aan om zelf voor god te gaan spelen. Ze dachten er wijzer van te worden, maar opschieten deed het niet. Met dat de liefde zoek raakte, keken ze ineens met andere ogen naar elkaar.

Genesis 3 vers 7 en 16b

Er staat heel opvallend: “Ze zagen dat ze naakt waren”. Dat hadden ze natuurlijk allang gezien, maar toen hadden ze er met volle teugen van genoten. Open en bloot zich onbekommerd aan elkaar gegeven. Zonder achterdocht of argwaan. Van afstand en ongemakkelijkheid was geen sprake. Maar nu, nu ze beide vooral gaan voor zichzelf, is de onbevangenheid weg en schermen zij zich voor elkaar af. Er staat heel opvallend: “Ze maakten lendenschorten voor zichzelf”. Ze sloten zich op in hun eigen wereldje en bekeken elkaar van een afstand.

Even verderop wordt die scheve verhouding door God heel raak beschreven als hij tegen Eva zegt: ‘Van nu af aan zal je man over je heersen.’ In plaats van je onvoorwaardelijk lief te hebben zal hij geneigd zijn zich te laten gelden. En andersom: ‘Jij zult ontzettend verlangen naar zijn aandacht, dat hij je ziet, daar alles aan doen, maar geregeld zul je eraan tekort komen.’ Je kunt het overigens ook andersom vertalen: ‘Je zult steeds proberen hem te slim af te zijn om hem zo de baas te worden.’

Kort en goed: het wordt vechten om aandacht en ruimte. Nou, dat is niet uit de lucht gegrepen, maar zo herkenbaar als wat. Wat dat betreft is de bijbel geen raar boek, maar door en door realistisch. Het verhaalt hoe kwetsbaar de liefde is geworden. Het verlangen van ooit blijft: we willen niets liever dan geliefd worden. Maar om die liefde te leven en te geven, nee dat valt niet mee. Met andere woorden: de vraag is nog altijd even groot, maar het aanbod is schaars geworden. Zonde!

Zo soepel als het ooit liep, zo stroef loopt het nu. Zelfs in de meest innige relaties is de liefde een roos met doorns geworden. Je omarmt en bezeert. Je bemint en verwenst. Je kunt niet zonder elkaar, maar ook lang niet altijd met elkaar. De liefde raakte gespleten, kreeg iets van een weerkerend dilemma tussen ja en nee, en kan daarom o zo veelbelovend beginnen maar dramatisch eindigen.

Richting God was en het is niet veel beter. Toen Hij die dag, dat zij op eigen benen waren gaan staan, voorbij kwam, kropen ze angstig voor Hem weg. In plaats van diep vertrouwd was Hij voor hen nu een bedreiging geworden. En God? Ik hoor Hem roepen: “Adam, mens, waar ben je?” Het is dezelfde bezorgde roep als van een vader of moeder, als een kind kwijt is. Bij Hem is de liefde er blijkbaar niet minder op geworden. Hij heeft niet zoiets als: oké als jullie klaar zijn met Mij, dan ben Ik het met jullie. Nee, zowaar Hij ons liefheeft, blijven we Hem aan het hart gaan.

Wel triest, dat toen die twee voor de dag kwamen, ze alleen maar brutaal konden reageren. Ik hoor althans geen spoortje van berouw of van verlangen. Het is er daarna niet veel beter op geworden. Gaat het over God, dan zijn mensen afwisselend bang en brutaal en meestal iets er tussenin. Van berouw of verlangen is in de regel geen sprake. Eén ding is zeker, de liefde is ver zoek. Zonde!

 

 

 

 

God in een kwaad daglicht zetten. Het gebeurt volop. Wij schuiven Hem van alles in de schoenen. Als Hij echt God is, is Hij van alle ellende de schuld. Want Hij zou het anders kunnen maken. Maar doet dat niet. Reden om Hem af te danken. Gek genoeg blijven we Hem intussen toch vaak aanklagen. Alsof we net niet goed van Hem los kunnen komen. De Bijbel vertelt hoe het zover kon komen. Met een apart veelzeggend verhaal. Zonder iets te verbloemen.

Genesis 3 vers 6

De slang, waarvan staat dat hij de listigste was onder de dieren, letterlijk naakter dan naakt en daarmee symbool voor onbeschaamde leugen knoopte met Eva een vertrouwelijk gesprekje aan. ‘Heb ik het goed begrepen dat jullie van geen één boom mogen eten?’ Als Eva antwoordt, dat het alleen om die ene boom gaat, dat eten daarvan hun dood wordt, zegt hij: ‘Denk je dat nou echt?

Toe denk na: God wil alleen maar voorkomen dat jullie net zo wijs worden als Hij. Weet zullen hebben van goed én kwaad en zelf kunnen kiezen wat je doet. Daar ga je heus niet aan dood hoor. Je leert alleen op eigen benen staan.’ En zó, door God in een kwaad daglicht te zetten, wist die het gedaan te krijgen dat Eva ervan at. En Adam erin mee nam, om samen sterk te staan. Tegenover God.

Sindsdien zit God in de beklaagdenbank. Had Hij die boom niet neergezet, dan hadden wij er ook niet van kunnen eten, zeggen mensen. Dat wij verleid werden tot kwaad, heeft Hij aan zichzelf te danken. Hij is de kwaaie pier zogezegd. Op het eerste gehoor klinkt het zo logisch als wat. Maar is het dat ook?

Die boom, die bekende en beruchte, die boom van kennis van goed en kwaad was neergezet om ons de vrijheid te geven, als een escape om te kiezen voor jezelf en te bedanken voor Zijn liefde. In plaats van ons onder de duim te houden, gaf God ons dus vrijheid. Dat hoort bij liefde. Die dwingt niks af, sluit je niet op, maar houdt de deur open voor het geval je wilt gaan. Zo ook heeft God gedaan. Dat maakte Hem kwetsbaar. Maar zo waar Hij liefde is, kon en wilde Hij niet anders. Is het niet bijzonder dat God zoveel vertrouwen in ons had, dat Hij ons die ruimte gaf? Met alle risico van dien?

‘Je zult als God zijn, zelf de dienst uit kunnen maken’, had de slang gezegd. Het lokte en trok. De gevolgen waren ernaar. Ze keken ineens met andere ogen naar elkaar en naar God, zo vertelt het verhaal. Dat krijg je ervan als je voor god gaat spelen. Dan wordt je van geliefden concurrenten, die elkaar gaan wantrouwen, tegenover elkaar komen te staan. Het wordt in dit verhaal treffend getekend: ineens voelden die twee, Adam en Eva, zich zo naakt tegenover elkaar, zo onveilig, dat ze als de wiedewaai een schort van vijgenbladeren maakten om zich daarachter te verschansen.

Naar God toe was de boel ook verziekt. Toen Hij die dag voorbijkwam zoals voorheen, om in liefde met hen op te lopen, konden zij Hem alleen nog maar zien als een bedreiging. Voor wie ze zich angstig schuilhielden en die ze, toen dat niet meer ging en voor de dag kwamen, alleen een grote mond gaven. Hij: ‘Die vrouw die U mij hebt gegeven, die heeft mij verleid.’ Zij: ‘Die slang, die U hebt gemaakt, die heeft mij in de maling genomen.’ Ze kunnen richting God alleen nog maar bang of brutaal zijn. Voor Hem wegkruipen of Hem uitschelden. Zo gaat dat als de liefde zoek is. Tot op de dag van vandaag.

Hoe zal God reageren?

Ik weet niet of je het weet, maar de nieuwe dag begint voor Joden na zonsondergang. Mooi is dat. Het begint met rusten, ontspannen, eten, drinken, van elkaar genieten en slapen. En dan, ja, dan sta je op, dan ga je aan de slag, doe je je werk, totdat de zon ondergaat. Daarna begint het feest opnieuw, van voor af aan.

Genesis 1 vers 3b en 2 vers 2, 3

Waar hebben ze dat vandaan? Nou, uit Genesis 1, waar een soort gebruiksaanwijzing staat voor ons leven. Daar wordt anders geteld. Niet: “Het was morgen geweest en avond geworden, de eerste dag”, maar: “Het was avond geweest en morgen geworden, de eerste dag”. Dat is dus een ander ritme: de nieuwe dag begint niet ‘s ochtends, maar ‘s avonds. Op die manier kan het genieten er geen dag bij inschieten. Daar begint het mee. Zo blijven de dingen in balans. Genieten én werken gaan samen op, ontspanning en inspanning wisselen elkaar af en van allebei word je even vrolijk.

Datzelfde ritme zie je trouwens ook als God zijn scheppingswerk op de zesde dag voltooid heeft en de mens tot leven heeft gewekt. Na die zesde volgt er een zevende dag. “En”, zo staat er dan, “op die dag rustte God van het werk dat Hij gedaan had”. Geweldig! Nog maar net geschapen, begon het dus met een vrije dag, met ontspannen genieten van het leven en van elkaar. Pas daarna hoeven we aan de slag. De Eeuwige had het goed voor ons bedacht. Wat daarvan geworden is, weet je zelf het best.

Het evenwicht is nogal eens zoekgeraakt. Met dat wij ervoor gaan, voor je studie, je werk en je carrière, schiet het er o zo makkelijk bij in dat je elkaar nog ziet, samen geniet van wat je hebt, vrolijk eet en drinkt, het er ontspannen en royaal van neemt. Zeven keer 24 uur moet alles dóór, sowieso natuurlijk je mail en die apps, die eindeloos om antwoord vragen. Nooit meer eens een dag rust. Wat doen we onszelf en elkaar toch aan? Ja, in de vakantie, dan moeten en willen we soms in een paar weken tijd de scha van een heel jaar inhalen. Intussen kun je dan zó uitgeput zijn en het ontspannen zó ontwend, dat het ook dan niet goed lukt om er een feest van te maken. Je wordt er eerder onrustig en kriebelig van dan dat je er plezier en geluk aan beleeft.

Sinds we het ritme dat God aangaf kwijt zijn, die balans eruit is, is het leven er niet echt leuker op geworden, vrijer en vrolijker, integendeel. Elders in de bijbel, in het boek Prediker, wordt gezegd: Wat schiet het op als je ik weet niet wat bereikt, maar er niet genieten kunt en elkaar ongemerkt kwijtraakt? Het advies is dan: Kom op, eet eens gezellig met elkaar. Maak er geregelder een feestje van. Zorg dat je er mooi uitziet, lekker ruikt en leef de liefde. Je hebt elkaar toch niet voor niets gekregen? Geen mens zo te beklagen als die alleen maar heeft gezwoegd, gezweet, zich afgepeigerd tot en met, maar altijd door moest en amper heeft genoten van wat hij had. Doodarm is dat, al was je schatrijk.

Alle reden dus om de gebruiksaanwijzing van de Schepper er wat vaker bij te pakken om je leven weer wat meer in balans te krijgen en eruit te halen wat erin zit