De zaligsprekingen, waarmee de Bergrede opent, tonen ons een zelfportret van Jezus. Alles wat Hij zei, dat was Hij zelf. Eerlijk gezegd schrikt het op eerste gezicht nogal af. Want wie wil dat nu: arm van geest zijn en daarmee afhankelijk van God, treuren over van alles en nog wat, om onrecht en pijn om je heen of bij jezelf, en vervolgd worden puur en alleen omdat je gelooft of goed doet? En wie redt het om altijd te streven naar gerechtigheid, steeds zachtmoedig te blijven, barmhartig om te zien, rein van hart door het leven te gaan, en daarbij ook nog eens een vredestichter te wezen? Wie echt iets bereiken wil in deze wereld, zal een paar andere eigenschappen en kwalificaties nodig hebben, schreef de bekende Henri Nouwen.

Mattheus 5 vers 1-8

Het kan zelfs zijn, dat deze Jezus je op den duur irriteert. Hoe goed en mooi ook allemaal, het kan zomaar een bron van ergernis worden. Omdat dit zelfportret van Jezus je en mij confronteert met ons ware gezicht. Ons aanklaagt. Als in een reflex, zegt de bijbel heel eerlijk, draai je je dan vaak gelijk om, loopt weg en vergeet het. Gewoon omdat het je niet bevalt. In ieder geval gebeurt het nog steeds, dat Jezus, zonder te weten wat we doen – net als toen – het ontgelden moet, gekruisigd wordt. Zou het een idee zijn daar in stilte eens even over na te denken. Best lastig, het vraagt een beetje lef, maar wel heilzaam.

Wie het doet, wordt waarschijnlijk blijer dan ooit, dat Jezus is wie Hij zei: barmhartig en zachtmoedig, kwaad beantwoordt met goed, geen oorlog met ons wil maar vrede. Altijd weer blijkt dat overduidelijk in de kerk als Hij ons brood en wijn aanreikt met die overbekende en ongekende woorden: dit is Mijn lichaam voor jou gebroken… dit is Mijn bloed voor jou vergoten. Gedenk en geloof dat er vergeving voor je is

Het zou ook zomaar kunnen dat, als je hiervan eet, drinkt, leeft, Zijn Geest je zo te pakken krijgt dat Jezus’ manier van doen je meer begint te trekken dan eerst. Jij voorzichtig hier en daar een eerste stap zet in Zijn spoor. Dat zou mooi zijn. Eén ding is zeker, als je dat doet, zul je ervaren wat Hij beloofde: dat er een andere, een nieuwe wereld voor je opengaat… het koninkrijk van God. Vlak om je heen, overal waar jij verschijnt zogezegd. Of een ander die doet als jij. Er wordt links en rechts een stukje recht gedaan aan die en gene. Er wordt getroost waar werd gehuild. Er gebeurt vrede, vaak o zo klein maar o zo goed. Je ziet weer iets van God. Zijn koninkrijk wint her en der terrein, eenvoudigweg door barmhartig en zachtmoedig te zijn.

Zalig, zei Jezus tot acht keer toe. Dat is het! Zeker gelet op de zielige vertoning, als je mensen het omgekeerde ziet doen. Of jezelf. Het is zo gek nog niet, wat Jezus zei. Ik zou best nog wat meer van Zijn trekken willen hebben.

Hoe God ook smeekte en bad: “Kaïn, doe het niet. Geef je niet over aan het kwaad, maar doe wat goed is.” Er hielp helemaal niets aan. Het kwaad had Kaïn zo te pakken dat hij dacht dat het zijn goed recht was om te doen wat in hem opkwam. Vreemd is dat toch. Dat je zo overtuigd kunt raken van je gelijk, terwijl je weet dat er niks van deugt. Is die kronkel niet de reden waarom kwaad het steeds weer winnen kan van goed, onrecht van recht, oorlog van vrede, ruzie van verzoening. Dat er van alles gewoon doorziekt in deze wereld, terwijl ieder weet dat het niet klopt?

Genesis 4 vanaf vers 8

De daad van Kaïn was er gelijk één van de ergste soort: moord met voorbedachte rade. We lezen: “Op een dag zei Kaïn tegen zijn broer Abel: “Kom laten we het veld ingaan. Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood.” Welbewust ging Kaïn te werk. Voor zijn gevoel deed hij ongezien. Zo gaat dat als je kwaad doet. Je vindt dat het kan, intussen moet het stiekem.

Het ontging God niet. Dat kan op het eerste gehoor natuurlijk zeurderig lijken, zo’n God die alles ziet, maar is het niet precies andersom? Is het juist niet verrassend om vanaf de eerste gepleegde misdaad te zien, dat het kwaad God niet ontgaat. Dat Hij niet wegkijkt, maar juist duidelijk maakt dat het Hem raakt. Dat Hij er verontwaardigt op reageert. Hoor maar: “Toen vroeg de Heer, waar is je broer Abel?” Hij kan het niet laten begaan, zoals wij dat zo vaak wel kunnen, maar bemoeit zich er tegenaan zogezegd. Goed is dat.

Wel stoer om kwaad te doen, geen lef om eerlijk te zijn

Mooi trouwens dat God begint met een open vraag. Daarmee Kaïn de gelegenheid geeft eerlijk op te biechten, zelf met het kwaad voor de draad te komen. De reactie van Kaïn is er echter één van radicale ontkenning: “Dat weet ik niet. Ben ik soms de hoeder van mijn broeder?” Apart is dat. Hij was wel stoer genoeg geweest om dood te slaan, maar heeft nu niet het lef om er eerlijk over te zijn.

Kom op Kaïn, wees een kerel! Je had toch gelijk? Zeg er desnoods bij dat God het aan zichzelf te wijten heeft. Maar doe nu niet net alsof je van de prins geen kwaad weet. Dat blijft een punt: wel stoer genoeg om kwaad te doen, maar geen lef, alle grote praat ten spijt, om eerlijk te worden als het puntje bij het paaltje komt. Hoewel er ook iets hoopvols in zit dat Kaïn zwijgt: blijkbaar is hij de schaamte nog niet helemaal voorbij.

Kaïn is vooral stuk van de gevolgen

God drukt echter door. Lastig, maar ook goed. Want stel je voor dat Hij dat niet zou doen, ons niet zou blijven storen om het kwaad op tafel te krijgen en de neerwaartse spiraal te doorbreken, zou Hij juist dan niet uiterst dubieus worden. Medeschuldig aan wat zich sindsdien ontwikkeld heeft? Dat kun je nu moeilijk zeggen. Na alle bidden en smeken om het kwaad te bezweren, doet Hij nu alle moeite om het alsnog te doorbreken.

Nog een keer vraagt God: “Wat heb je gedaan?” Als er geen antwoord komt zegt Hij het zelf: “Hoor, het bloed van je broer uit de aarde schreeuwt naar mij.” Een intense uitspraak waaruit blijkt hoe diep ons kwaad Hem raakt. “Vervloekt ben je”, zegt God tegen Kaïn. Schrap dat woord niet. Het toont Gods karakter. Als ergens blijkt dat Hij niet met kwaaddoeners onder één hoedje speelt, dan hier.

Gods reactie hakte erin bij Kaïn. Hij is vooral stuk van de gevolgen. Zo gaat dat wel vaker. We hebben meer moeite met de gevolgen van het kwaad dat we hebben aangericht dan met het kwaad zelf. Schuldbelijdenissen blijven dan vaak ook twijfelachtig. Het genadige is dat God niet wacht tot het allemaal klopt. Verscheurd als Kaïn was, zei God: Wat er ook is gebeurd, Ik neem het voor je op. Als Hij dat ooit deed dan later op de dag dat Jezus werd gekruisigd, God zelf door ons vermoord werd met voorbedachte rade, en Hij dat slechts beantwoordde met vergeving en vrede. Dezelfde dag nog. Genadiger kan het niet!

De bijbel is geen boek vol mooie verhalen en prachtige dromen. Integendeel. Het vertelt vooral rauwe, ruige, dwarse verhalen. Voor sommigen een reden om de bijbel af te danken. “Sorry”, zeggen ze, “maar zoals het er daar vaak aan toegaat, nee, dat maak ik niet mee”. Voor mij maakt die realistische insteek de bijbel juist uiterst betrouwbaar. De werkelijkheid wordt daar blijkbaar niet verdoezeld, maar neergezet zoals die is.

Genesis 4 vers 1-7

Neem het verhaal uit Genesis 4, over Kaïn en Abel, twee broers. Het meest ontstellende gebeurt daar: de ene broer slaat de andere dood. Aangrijpend. Dat het kwaad zo kan invreten, zo snel, zo makkelijk, zo vanzelf. De bijbel windt er geen doekjes om. Is dat niet op en top realistisch?

Stoere en zwakke mensen

Kaïn, zo hadden Adam en Eva hun eersteling genoemd. Een prachtige naam. Letterlijk betekent het ‘gekregen’, ‘geschenk’. Ja, dat was het. Nieuw leven, van God ontvangen. Reken maar dat ze zich er eindeloos over verbaasd hebben. Daarna kwam er een tweede, weer een jongen. Maar wat een verschil. Hij zag er schriel uit. Zal hij het wel halen? Ze noemden hem Abel. Dat betekent zoiets als ‘ademtocht’, of ‘de vergankelijke’. Het tekent hun onzekerheid. Ze voelen: dit leven kan zomaar afbreken. Opnieuw zo realistisch als wat.

In de bijbel ontmoet je niet alleen stoere en sterke mensen maar net zo goed zwakke en kwetsbare mensen. En zoals zo vaak, zo ging het ook toen. De zwakke legt het uiteindelijk af tegen de sterke. Hoe je ook gelooft, daar helpt niks aan. Je delft zomaar het onderspit.

Kijk maar. Volwassen geworden offeren Kaïn en Abel beide aan hun Schepper. Abel doet dat van de kudde die hij heeft. Kaïn doet dat van de opbrengst van het land. Maar dan – ja, hoe ze dat precies gewaar geworden zijn is niet bekend – maar er staat dat God het offer van Abel aanzag, maar het offer van Kaïn niet. Dat lijkt natuurlijk gemeen. Alsof God iemand is die ongelijk behandelt, discrimineert, met de één wel van doen wil hebben en met de ander niet. Zo wordt nog steeds al te vaak gedacht. Maar klopt dat? Trekt God Abel voor en zet Hij Kaïn weg? Telt de één voor Hem méér dan de ander?

God houdt niet van geweld

Als Kaïn het merkt, wordt hij woedend. Op Abel. Is die soms beter dan hij? En op God. Waarom moet die mij niet? Realistisch, vind je niet? Want als jij het gevoel hebt dat de ander méér heeft met God dan jij, dan wekt dat lang niet altijd nieuwsgierigheid of verlangen, maar vaak ook irritatie en boosheid. Verder, als het tussen God en jou toch al niet zo lekker loopt en het lijkt dat Hij jou niet moet, dan kan het zomaar gebeuren dat je met Hem ook klaar bent. Opvallend genoeg ziet God het en vraagt: “Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker?” Een duidelijk signaal dat God wel degelijk oog voor Kaïn heeft en alle moeite doet om hem te bereiken. “Ik zie iets in je blik Kaïn dat Mij zorg baart. De zonde ligt op de loer, begerig om jou te overmeesteren. Toe, let op, anders gaat het zomaar van kwaad tot erger.”

Opnieuw zo realistisch als wat. Als je kwaad dat in je opkomt niet bestrijdt, gaat het binnen de kortste keren overwoekeren. Net als onkruid. Je raakt er al meer in verstrikt en het krijgt je zo in z’n greep dat je er niet meer aan ontkomt. God ziet het gebeuren bij Kaïn. Het gaat Hem aan zijn hart. Hij zet alles op alles om hem een halt toe te roepen. Nee, Hij houdt hem niet met geweld tegen. Daar is God niet van.

We mogen voor God spelen

We willen vrij zijn, we mogen vrij zijn. Wij willen voor God spelen. We mogen voor God spelen. Zelfs al beramen we het grootste kwaad. Hij overruled ons niet. Daar is de liefde niet van. Al pratend, biddend en smekend zoekt die wel tot andere gedachten te brengen: “Toe laat het kwaad het goede in jou niet langzaam smoren en vermoorden. Als je dat doet, is er geen houden meer aan, ben je tot alles in staat.” God doet er alles aan om Kaïn te verlokken tot het goede, zonder iets af te dwingen. Hij gaat niet over onze grenzen, precies zoals wij dat wensen. Alle lof voor Hem! Je vraagt je intussen wel af hoe dat afloopt…

 

 

“Adam, mens, waar ben je?” Die roep is méér dan enkel een roep van gemis en verlangen. Ik hoorde tijdens een seminar in Jeruzalem dat het ook de rouwklacht is van een vader bij het graf van zijn kind. “Kind, waar ben je?” zo snikt die vader dan, terwijl het lichaam in de aarde wordt gelegd. Niet anders deed God. Want het eten van die beruchte vrucht had desastreuze gevolgen.

Genesis 3 vers 9 en 15

Nee zij waren niet gelijk dood neergevallen. De boze had gelijk gehad, toen hij zei: je gaat er heus niet dood aan hoor. Maar er was wel iets anders dood gegaan. Hun hart. Voor God en voor elkaar. Precies zoals God gezegd had: Stervend zul je sterven. Er een doods bestaan aan overhouden dat ten dode gedoemd is.

Vandaar dat God alleen maar rouwen kan. Rouwen om ons hart, waar de liefde teloor ging, het leven uit is. Wie eerlijk is, herkent het: leven genoeg, maar dood voor God. Voor Hem geen oog, geen oor, geen hart meer. En naar elkaar verval je zomaar van een liefdevol ‘over en weer in een harteloze ‘ikkerigheid’.

“Adam, waar ben je?” Het is een hartverscheurende klacht. God snikt het uit, zogezegd. Het gaat door merg en been. Tegelijk hoor ik er louter liefde in. Liefde die vooral ook blijkt uit het vervolg. Want als ze voor de dag komen, die twee, en de brutaliteit het wint van de angst, kunnen zij niet anders meer dan Hem in een kwaad daglicht zetten. “U hebt het te danken aan Uzelf!”, zeggen ze. Nou had God op dat moment kunnen uitvallen en uitvaren: “Wat denken jullie wel?!” De schuld gelijk kunnen terugschuiven. Maar dat deed Hij niet. Het werd niet hard tegen hard. Blijkbaar wist Hij dat zo’n reactie, hoe terecht ook, niks oplost.

Daarom, hoe vals ook beschuldigd, deed Hij er het zwijgen toe, liet het zich aanrekenen. Als dat geen liefde is… Eeuwen later zou Jezus niet anders doen. Zwijgen toen Hij vals beschuldigd werd. Zich laten veroordelen als oorzaak van alle ellende. Zich laten afvoeren als zondebok en zo het kwaad voor Zijn rekening nemen. Die toon werd hier, al gelijk na onze val, gezet.

Dat zie je ook in het vervolg. Want toen God begon te spreken, zei Hij: “Ik zal… ”. Ik zal er voor zorgen dat wat er nu gebeurd is niet het laatste woord heeft. Al zijn jullie nu twee handen op één buik met de boze, Ik haal jullie uit elkaar. De boze zal het laatste woord niet hebben. Ik ontruk je aan Zijn greep en rust niet tot Ik jullie hart opnieuw gewonnen heb. Hij nam daarmee genadig de verantwoordelijkheid voor onze val. Het was trouwens Zijn enige optie, wilde het ooit nog wat worden. Geen dode immers die zichzelf het leven inblaast.

Hoe God dat heeft gered? Het staat hier in beeldende taal: in een gevecht met de slang op leven en dood, zal de slang op het moment dat het gewonnen lijkt, voorgoed het onderspit delven. Het is méér dan mythische taal. Het werd waar op Golgotha. Gehangen aan een kruis, verlaten van God, overgegeven aan de hel, sloeg Jezus Zijn genadige slag. Die dag kreeg God in Hem het kwaad eronder en had de boze het voor het nakijken. Precies zoals gezegd.

De zegen is weergaloos. Paulus schreef aan mensen in Efeze, die van huis uit van God geen benul hadden: “Maar God, rijk in erbarmen door Zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, heeft ons, toen wij dood waren – overal voor ‘in’ behalve voor Hem – levend

gemaakt met Christus.” Een lange zin. Maar zo gebeurde, op Pasen, en altijd weer, als Hij je opzoekt, te voorschijn roept, en er genadig het zwijgen toe doet. Om Jezus’ wil.

 

 

 

De bijbel vertelt het eerlijke verhaal: in plaats van te leven in Gods liefde en die van elkaar, gaven mensen er de voorkeur aan om zelf voor god te gaan spelen. Ze dachten er wijzer van te worden, maar opschieten deed het niet. Met dat de liefde zoek raakte, keken ze ineens met andere ogen naar elkaar.

Genesis 3 vers 7 en 16b

Er staat heel opvallend: “Ze zagen dat ze naakt waren”. Dat hadden ze natuurlijk allang gezien, maar toen hadden ze er met volle teugen van genoten. Open en bloot zich onbekommerd aan elkaar gegeven. Zonder achterdocht of argwaan. Van afstand en ongemakkelijkheid was geen sprake. Maar nu, nu ze beide vooral gaan voor zichzelf, is de onbevangenheid weg en schermen zij zich voor elkaar af. Er staat heel opvallend: “Ze maakten lendenschorten voor zichzelf”. Ze sloten zich op in hun eigen wereldje en bekeken elkaar van een afstand.

Even verderop wordt die scheve verhouding door God heel raak beschreven als hij tegen Eva zegt: ‘Van nu af aan zal je man over je heersen.’ In plaats van je onvoorwaardelijk lief te hebben zal hij geneigd zijn zich te laten gelden. En andersom: ‘Jij zult ontzettend verlangen naar zijn aandacht, dat hij je ziet, daar alles aan doen, maar geregeld zul je eraan tekort komen.’ Je kunt het overigens ook andersom vertalen: ‘Je zult steeds proberen hem te slim af te zijn om hem zo de baas te worden.’

Kort en goed: het wordt vechten om aandacht en ruimte. Nou, dat is niet uit de lucht gegrepen, maar zo herkenbaar als wat. Wat dat betreft is de bijbel geen raar boek, maar door en door realistisch. Het verhaalt hoe kwetsbaar de liefde is geworden. Het verlangen van ooit blijft: we willen niets liever dan geliefd worden. Maar om die liefde te leven en te geven, nee dat valt niet mee. Met andere woorden: de vraag is nog altijd even groot, maar het aanbod is schaars geworden. Zonde!

Zo soepel als het ooit liep, zo stroef loopt het nu. Zelfs in de meest innige relaties is de liefde een roos met doorns geworden. Je omarmt en bezeert. Je bemint en verwenst. Je kunt niet zonder elkaar, maar ook lang niet altijd met elkaar. De liefde raakte gespleten, kreeg iets van een weerkerend dilemma tussen ja en nee, en kan daarom o zo veelbelovend beginnen maar dramatisch eindigen.

Richting God was en het is niet veel beter. Toen Hij die dag, dat zij op eigen benen waren gaan staan, voorbij kwam, kropen ze angstig voor Hem weg. In plaats van diep vertrouwd was Hij voor hen nu een bedreiging geworden. En God? Ik hoor Hem roepen: “Adam, mens, waar ben je?” Het is dezelfde bezorgde roep als van een vader of moeder, als een kind kwijt is. Bij Hem is de liefde er blijkbaar niet minder op geworden. Hij heeft niet zoiets als: oké als jullie klaar zijn met Mij, dan ben Ik het met jullie. Nee, zowaar Hij ons liefheeft, blijven we Hem aan het hart gaan.

Wel triest, dat toen die twee voor de dag kwamen, ze alleen maar brutaal konden reageren. Ik hoor althans geen spoortje van berouw of van verlangen. Het is er daarna niet veel beter op geworden. Gaat het over God, dan zijn mensen afwisselend bang en brutaal en meestal iets er tussenin. Van berouw of verlangen is in de regel geen sprake. Eén ding is zeker, de liefde is ver zoek. Zonde!