Hoe God ook smeekte en bad: “Kaïn, doe het niet. Geef je niet over aan het kwaad, maar doe wat goed is.” Er hielp helemaal niets aan. Het kwaad had Kaïn zo te pakken dat hij dacht dat het zijn goed recht was om te doen wat in hem opkwam. Vreemd is dat toch. Dat je zo overtuigd kunt raken van je gelijk, terwijl je weet dat er niks van deugt. Is die kronkel niet de reden waarom kwaad het steeds weer winnen kan van goed, onrecht van recht, oorlog van vrede, ruzie van verzoening. Dat er van alles gewoon doorziekt in deze wereld, terwijl ieder weet dat het niet klopt?

Genesis 4 vanaf vers 8

De daad van Kaïn was er gelijk één van de ergste soort: moord met voorbedachte rade. We lezen: “Op een dag zei Kaïn tegen zijn broer Abel: “Kom laten we het veld ingaan. Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood.” Welbewust ging Kaïn te werk. Voor zijn gevoel deed hij ongezien. Zo gaat dat als je kwaad doet. Je vindt dat het kan, intussen moet het stiekem.

Het ontging God niet. Dat kan op het eerste gehoor natuurlijk zeurderig lijken, zo’n God die alles ziet, maar is het niet precies andersom? Is het juist niet verrassend om vanaf de eerste gepleegde misdaad te zien, dat het kwaad God niet ontgaat. Dat Hij niet wegkijkt, maar juist duidelijk maakt dat het Hem raakt. Dat Hij er verontwaardigt op reageert. Hoor maar: “Toen vroeg de Heer, waar is je broer Abel?” Hij kan het niet laten begaan, zoals wij dat zo vaak wel kunnen, maar bemoeit zich er tegenaan zogezegd. Goed is dat.

Wel stoer om kwaad te doen, geen lef om eerlijk te zijn

Mooi trouwens dat God begint met een open vraag. Daarmee Kaïn de gelegenheid geeft eerlijk op te biechten, zelf met het kwaad voor de draad te komen. De reactie van Kaïn is er echter één van radicale ontkenning: “Dat weet ik niet. Ben ik soms de hoeder van mijn broeder?” Apart is dat. Hij was wel stoer genoeg geweest om dood te slaan, maar heeft nu niet het lef om er eerlijk over te zijn.

Kom op Kaïn, wees een kerel! Je had toch gelijk? Zeg er desnoods bij dat God het aan zichzelf te wijten heeft. Maar doe nu niet net alsof je van de prins geen kwaad weet. Dat blijft een punt: wel stoer genoeg om kwaad te doen, maar geen lef, alle grote praat ten spijt, om eerlijk te worden als het puntje bij het paaltje komt. Hoewel er ook iets hoopvols in zit dat Kaïn zwijgt: blijkbaar is hij de schaamte nog niet helemaal voorbij.

Kaïn is vooral stuk van de gevolgen

God drukt echter door. Lastig, maar ook goed. Want stel je voor dat Hij dat niet zou doen, ons niet zou blijven storen om het kwaad op tafel te krijgen en de neerwaartse spiraal te doorbreken, zou Hij juist dan niet uiterst dubieus worden. Medeschuldig aan wat zich sindsdien ontwikkeld heeft? Dat kun je nu moeilijk zeggen. Na alle bidden en smeken om het kwaad te bezweren, doet Hij nu alle moeite om het alsnog te doorbreken.

Nog een keer vraagt God: “Wat heb je gedaan?” Als er geen antwoord komt zegt Hij het zelf: “Hoor, het bloed van je broer uit de aarde schreeuwt naar mij.” Een intense uitspraak waaruit blijkt hoe diep ons kwaad Hem raakt. “Vervloekt ben je”, zegt God tegen Kaïn. Schrap dat woord niet. Het toont Gods karakter. Als ergens blijkt dat Hij niet met kwaaddoeners onder één hoedje speelt, dan hier.

Gods reactie hakte erin bij Kaïn. Hij is vooral stuk van de gevolgen. Zo gaat dat wel vaker. We hebben meer moeite met de gevolgen van het kwaad dat we hebben aangericht dan met het kwaad zelf. Schuldbelijdenissen blijven dan vaak ook twijfelachtig. Het genadige is dat God niet wacht tot het allemaal klopt. Verscheurd als Kaïn was, zei God: Wat er ook is gebeurd, Ik neem het voor je op. Als Hij dat ooit deed dan later op de dag dat Jezus werd gekruisigd, God zelf door ons vermoord werd met voorbedachte rade, en Hij dat slechts beantwoordde met vergeving en vrede. Dezelfde dag nog. Genadiger kan het niet!

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *