“Adam, mens, waar ben je?” Die roep is méér dan enkel een roep van gemis en verlangen. Ik hoorde tijdens een seminar in Jeruzalem dat het ook de rouwklacht is van een vader bij het graf van zijn kind. “Kind, waar ben je?” zo snikt die vader dan, terwijl het lichaam in de aarde wordt gelegd. Niet anders deed God. Want het eten van die beruchte vrucht had desastreuze gevolgen.

Genesis 3 vers 9 en 15

Nee zij waren niet gelijk dood neergevallen. De boze had gelijk gehad, toen hij zei: je gaat er heus niet dood aan hoor. Maar er was wel iets anders dood gegaan. Hun hart. Voor God en voor elkaar. Precies zoals God gezegd had: Stervend zul je sterven. Er een doods bestaan aan overhouden dat ten dode gedoemd is.

Vandaar dat God alleen maar rouwen kan. Rouwen om ons hart, waar de liefde teloor ging, het leven uit is. Wie eerlijk is, herkent het: leven genoeg, maar dood voor God. Voor Hem geen oog, geen oor, geen hart meer. En naar elkaar verval je zomaar van een liefdevol ‘over en weer in een harteloze ‘ikkerigheid’.

“Adam, waar ben je?” Het is een hartverscheurende klacht. God snikt het uit, zogezegd. Het gaat door merg en been. Tegelijk hoor ik er louter liefde in. Liefde die vooral ook blijkt uit het vervolg. Want als ze voor de dag komen, die twee, en de brutaliteit het wint van de angst, kunnen zij niet anders meer dan Hem in een kwaad daglicht zetten. “U hebt het te danken aan Uzelf!”, zeggen ze. Nou had God op dat moment kunnen uitvallen en uitvaren: “Wat denken jullie wel?!” De schuld gelijk kunnen terugschuiven. Maar dat deed Hij niet. Het werd niet hard tegen hard. Blijkbaar wist Hij dat zo’n reactie, hoe terecht ook, niks oplost.

Daarom, hoe vals ook beschuldigd, deed Hij er het zwijgen toe, liet het zich aanrekenen. Als dat geen liefde is… Eeuwen later zou Jezus niet anders doen. Zwijgen toen Hij vals beschuldigd werd. Zich laten veroordelen als oorzaak van alle ellende. Zich laten afvoeren als zondebok en zo het kwaad voor Zijn rekening nemen. Die toon werd hier, al gelijk na onze val, gezet.

Dat zie je ook in het vervolg. Want toen God begon te spreken, zei Hij: “Ik zal… ”. Ik zal er voor zorgen dat wat er nu gebeurd is niet het laatste woord heeft. Al zijn jullie nu twee handen op één buik met de boze, Ik haal jullie uit elkaar. De boze zal het laatste woord niet hebben. Ik ontruk je aan Zijn greep en rust niet tot Ik jullie hart opnieuw gewonnen heb. Hij nam daarmee genadig de verantwoordelijkheid voor onze val. Het was trouwens Zijn enige optie, wilde het ooit nog wat worden. Geen dode immers die zichzelf het leven inblaast.

Hoe God dat heeft gered? Het staat hier in beeldende taal: in een gevecht met de slang op leven en dood, zal de slang op het moment dat het gewonnen lijkt, voorgoed het onderspit delven. Het is méér dan mythische taal. Het werd waar op Golgotha. Gehangen aan een kruis, verlaten van God, overgegeven aan de hel, sloeg Jezus Zijn genadige slag. Die dag kreeg God in Hem het kwaad eronder en had de boze het voor het nakijken. Precies zoals gezegd.

De zegen is weergaloos. Paulus schreef aan mensen in Efeze, die van huis uit van God geen benul hadden: “Maar God, rijk in erbarmen door Zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, heeft ons, toen wij dood waren – overal voor ‘in’ behalve voor Hem – levend

gemaakt met Christus.” Een lange zin. Maar zo gebeurde, op Pasen, en altijd weer, als Hij je opzoekt, te voorschijn roept, en er genadig het zwijgen toe doet. Om Jezus’ wil.