Ds. Paul Visser gaat in op het visioen van Johannes (Openbaringen 7: 9-17). Het is namelijk nogal wat, wat Johannes allemaal ziet en later beschrijft in de Bijbel. Een openbaring waarin het gedaan is met alles wat het leven afknijpt, stukmaakt en ons naar beneden drukt. Een plek waar geen tranen vloeien. Wat een hoopvol vooruitzicht.

KIJK HIER

Ik heb er gewoon zin u in het licht van Pasen even mee te nemen in dat geweldige wat ons wacht… Het is niet zomaar een idee van mij, de Opgestane zelf begon er ooit mee toen Hij aan Johannes de nodige visioenen liet zien en tegen Hem zei: ‘Kijk… daar gaat het heen!’ Dat was niet iets voor hem alleen. Jezus zei: ‘Schrijf het op… en deel het met je broeders en zusters, overal, uitgerekend als ze het moeilijk hebben zodat ze de moed erin houden… er blij van worden, zullen lachen door de tranen heen…, blijven zingen hoeveel er ook te klagen is… (Openbaring 7: 9-17)

Zeg nu eerlijk: dit is toch een visioen om van te dromen?!

wit gewassen in bloed van het Lam

Sowieso dat idee , die ontelbare menigte, overal vandaan.. Was en ben je hier nog al een enkeling, daar is het voorbij. Daarbij, hoe verschillend deel samen je in zelfde liefde en en overwinning… kijk maar:

Iedereen is in een wit gewaad gekleed. Hoe ze daaraan komen? Het wit gewassen in bloed van het Lam. Ze zijn de liefde van Jezus op het spoor gekomen, hebben bij Hem vuile ingeleveren en en kregen deze schoon van Hem terug. Dat maakt het zo geweldig! niemand is daar omdat die goed genoeg was . We zijn daar straks niet met een stel braverikken, halve heiligen, maar met doodgewone mensen, van 100 in een rij. Niemand zal op een ander neerzien, niemand hoeft naar iemand op te kijken: we ontmoeten elkaar daar omdat we begenadig zijn. Dáárin zullen we elkaar herkennen… en alles met elkaar hebben. Elk verschil is verdwenen en we zien er allemaal even gaaf en feestelijk uit!

Ieder heeft een palmtak in de hand Een palmtak is het teken van victorie. Strijd en lijden zijn voorgoed te boven gekomen.

Zo wordt even later ook geantwoord op de vraag: ‘waar komen ze vandaan?’ Zij komen uit de grote verschrikkingen, verdrukkingen…! Je denkt in eerste instantie dan aan broeders en zusters die zwaar te lijden hebben gehad onder hun geloof, en terecht… daar zal Johannes ook aan hebben gedacht. Hij kreeg er zelf ook een staartje van mee, verbannen als hij was naar Patmos.

En breder, het geldt iedereen. Wie herkent het niet… in ziekte, verdriet en verlies? En wat dacht je van de deadlines en stress waardoor je soms onder druk wordt gezet. Nee, ik zou niet graag ruilen… maar ik begrijp men dat andersom ook lang niet altijd wil. Hoe dan ook, er komt een dag dat het gedaan is met dat alles wat het leven afknijpt, stuk maakt, ons naar beneden drukt en het eindelijk wordt zoals God voor ogen stond. Leven en overvloed… om blij van te worden, om eeuwig van te zingen.

Leven te over…

Even denk je: dat wordt daar straks een soort eeuwige kerkdienst. Zo lijkt het ook als je Openbaring 7:15 leest. Daarom staan ze voor de troon… Je moet er niet aan denken… althans ik niet. Zo is het ook niet bedoeld. In beeldende taal wordt uitgelegd dat wij daar voorgoed thuiskomen en bij God zijn, het leven in de vreemde voorbij…  Kwam en zat er hier geregeld nodige tussen God en mij, daar is dat voorbij. Voor eens en altijd is het tussen Hem en mij oké, goed!

Ergens anders staat het andersom: in het nieuwe Jeruzalem is er geen tempel meer. Er is niet langer ene een speciale plek, maar heel die stad, heel het leven leef je met Hem. Het wordt daar overvloed. (Openbaring 7:16)

De Herder die ooit Lam werd
zal als Lam nu onze Herder zijn
naar bronnen van levend water.

Leven te over… als nooit te voren, en ten overvloede staat er: En God zal alle tranen wissen. Ik zou ook werkelijk niet weten, wat daar nog te huilen valt.

 

 

“Adam, mens, waar ben je?” Die roep is méér dan enkel een roep van gemis en verlangen. Ik hoorde tijdens een seminar in Jeruzalem dat het ook de rouwklacht is van een vader bij het graf van zijn kind. “Kind, waar ben je?” zo snikt die vader dan, terwijl het lichaam in de aarde wordt gelegd. Niet anders deed God. Want het eten van die beruchte vrucht had desastreuze gevolgen.

Genesis 3 vers 9 en 15

Nee zij waren niet gelijk dood neergevallen. De boze had gelijk gehad, toen hij zei: je gaat er heus niet dood aan hoor. Maar er was wel iets anders dood gegaan. Hun hart. Voor God en voor elkaar. Precies zoals God gezegd had: Stervend zul je sterven. Er een doods bestaan aan overhouden dat ten dode gedoemd is.

Vandaar dat God alleen maar rouwen kan. Rouwen om ons hart, waar de liefde teloor ging, het leven uit is. Wie eerlijk is, herkent het: leven genoeg, maar dood voor God. Voor Hem geen oog, geen oor, geen hart meer. En naar elkaar verval je zomaar van een liefdevol ‘over en weer in een harteloze ‘ikkerigheid’.

“Adam, waar ben je?” Het is een hartverscheurende klacht. God snikt het uit, zogezegd. Het gaat door merg en been. Tegelijk hoor ik er louter liefde in. Liefde die vooral ook blijkt uit het vervolg. Want als ze voor de dag komen, die twee, en de brutaliteit het wint van de angst, kunnen zij niet anders meer dan Hem in een kwaad daglicht zetten. “U hebt het te danken aan Uzelf!”, zeggen ze. Nou had God op dat moment kunnen uitvallen en uitvaren: “Wat denken jullie wel?!” De schuld gelijk kunnen terugschuiven. Maar dat deed Hij niet. Het werd niet hard tegen hard. Blijkbaar wist Hij dat zo’n reactie, hoe terecht ook, niks oplost.

Daarom, hoe vals ook beschuldigd, deed Hij er het zwijgen toe, liet het zich aanrekenen. Als dat geen liefde is… Eeuwen later zou Jezus niet anders doen. Zwijgen toen Hij vals beschuldigd werd. Zich laten veroordelen als oorzaak van alle ellende. Zich laten afvoeren als zondebok en zo het kwaad voor Zijn rekening nemen. Die toon werd hier, al gelijk na onze val, gezet.

Dat zie je ook in het vervolg. Want toen God begon te spreken, zei Hij: “Ik zal… ”. Ik zal er voor zorgen dat wat er nu gebeurd is niet het laatste woord heeft. Al zijn jullie nu twee handen op één buik met de boze, Ik haal jullie uit elkaar. De boze zal het laatste woord niet hebben. Ik ontruk je aan Zijn greep en rust niet tot Ik jullie hart opnieuw gewonnen heb. Hij nam daarmee genadig de verantwoordelijkheid voor onze val. Het was trouwens Zijn enige optie, wilde het ooit nog wat worden. Geen dode immers die zichzelf het leven inblaast.

Hoe God dat heeft gered? Het staat hier in beeldende taal: in een gevecht met de slang op leven en dood, zal de slang op het moment dat het gewonnen lijkt, voorgoed het onderspit delven. Het is méér dan mythische taal. Het werd waar op Golgotha. Gehangen aan een kruis, verlaten van God, overgegeven aan de hel, sloeg Jezus Zijn genadige slag. Die dag kreeg God in Hem het kwaad eronder en had de boze het voor het nakijken. Precies zoals gezegd.

De zegen is weergaloos. Paulus schreef aan mensen in Efeze, die van huis uit van God geen benul hadden: “Maar God, rijk in erbarmen door Zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, heeft ons, toen wij dood waren – overal voor ‘in’ behalve voor Hem – levend

gemaakt met Christus.” Een lange zin. Maar zo gebeurde, op Pasen, en altijd weer, als Hij je opzoekt, te voorschijn roept, en er genadig het zwijgen toe doet. Om Jezus’ wil.